| |
Michel
Sauer
14 mei >6
augustus 2005
De
werken in de tentoonstelling zijn van twee duidelijk
onderscheiden, en op eerste zicht verschillende, types.
Het eerste is een reeks van massieve, koperen staven,
vervaardigd op een draaibank, die kennelijk een geheel
abstract karakter bezitten. Het tweede type is een verzameling
kleine hoofden, gemodelleerd uit verschillende materialen,
en waarvan elk een denkbeeldig mannelijk hoofd op leeftijd
verbeeldt.
Ondanks
de duidelijke verschillen tussen de twee reeksen onderling
worden beide in ruime mate geconfronteerd met dezelfde
problematiek, waaronder overeenstemming en gelijkheid.
Beide dragen eveneens de notie van verscheidenheid in
zich; niet alleen komt deze tot uiting tussen de twee
reeksen onderling, maar eens te meer tussen elk individueel
element van elke groep. Deze verscheidenheden bepalen
op zich de notie en de onderlinge verhouding tot een
groep. Het werk als een geheel is bovendien begaan met
de verhouding van elk uniek en autonoom, individueel
kunstobject binnen een groep waar het een deel van uitmaakt,
evenals de vertrouwdheid in vorm en betekenis dat alle
individuele objecten van eenzelfde groep gemeen hebben
.
De
relatie die tot uiting komt in de verhouding van elk
individueel object ten aanzien van het geheel van objecten
waartoe het behoort, is een vitaal begrip in Sauer's
werk. Het betreft de verhouding van elk individueel
object tot zijn groep en de verhouding van de groep
tot elk individueel object.
In
de beide reeksen speelt het profiel een leidende rol,
zowel in de productie als in het begrijpen van het werk.
Hoewel, beide reeksen geven aanleiding tot een interactie
of communicatie over en weer van bepaalde kwaliteiten,
die men eerder met driedimensionale vormen associeert
dan aan de notie profiel linkt. Die heeft onder andere
betrekking op de grootte, het gewicht en de secuur gekozen
verhoudingen. Bovendien kan men zich, gelet op hun vorm,
vragen stellen omtrent hun mogelijke functie.
Het
gebruikte materiaal evenals de karakteristieken van
het oppervlak ageren in parallel en creëren een
besef van schaal, betekenis, tijd en werk eigen aan
alle objecten die ons omringen.
Binnen
de complexiteiten en vertakkingen van een daartoe ontwikkelde
reeks zoals deze, analoge wegen van het individuele
geheugen en associatie, worden de kans en de ruimte
geboden om te groeien. De overgang tussen het abstracte
en het figuurlijke is gericht op de mogelijkheid tot
het aangaan van visuele verbanden met het historische,
technische en persoonlijke inzichten en opinies.
De
talrijke variaties binnen een reeks leidt tot evenveel
gevolgen. Onder hen kunnen we de verwerping van het
monumentale binnen het systeem van reeksen opmerken.
Deze verwerping, en het ontbreken van enig monumentaal
begrip, noopt de toeschouwer tot het verschuiven van
zijn aandacht naar het innerlijke denken, de privé-beleving,
maar steeds in relatie tot de veelvuldigheid van het
publieke. Het innerlijke kan men vergelijken met het
archief en de perceptie van de archivaris ten aanzien
van de wereld en het leven van de voorwerpen die ons
omringen. Deze visie strekt enkel tot voorbeeld, en
niet het minst omwille van de coherentie. Hierdoor wordt
een ruimte geopend, waar kan nagedacht worden en ideeën
gekoesterd, voor ons.
Owen
Griffith
|
|